Een inkuilmiddel is geen wondermiddel. Maar het is ook te makkelijk om te zeggen dat een goede kuil het nooit nodig heeft. Het gaat erom waar het risico zit en hoeveel zekerheid je wilt inbouwen. In deze blog leggen we uit wanneer een middel bij maïs iets kan toevoegen — en wanneer je het net zo goed kunt laten.
Een goede maïskuil begint niet met een inkuilmiddel. Hij begint met maïs die juist wordt geoogst, stevig wordt verdicht en snel luchtdicht wordt afgesloten.
Veel melkveehouders kuilen hun snijmais zonder toevoegmiddelen. Andere bedrijven kiezen juist ieder jaar bewust voor een inkuilmiddel, bijvoorbeeld omdat ze eerder last hebben gehad van broei of simpelweg wat extra zekerheid willen inbouwen.
Beide keuzes kunnen logisch zijn.
De vraag is daarom niet alleen:
“Heb ik een inkuilmiddel nodig?”
Maar vooral:
“Wat wil ik ermee bereiken in mijn kuil?”
Want je hoeft niet eerst problemen te hebben voordat een inkuilmiddel een verstandige keuze kan zijn. Maar je moet wel weten waarom je het gebruikt.
Kijk naar je kuil, je risico en wat je wilt bereiken. Kies daarna pas het middel.
Maïs is van zichzelf relatief goed te conserveren.Dat betekent niet dat er niets mis kan gaan, maar wel dat een inkuilmiddel nooit een vervanging moet worden voor goed kuilmanagement.
De basis blijft:
Krijg je ieder jaar broei, dan moet de eerste vraag dus niet automatisch zijn welk bacteriepreparaat je moet gebruiken.
Kijk eerst waar het probleem vandaan komt.
Komt er lucht binnen? Was de maïs lastig te verdichten? Is de voersnelheid beperkt? Ontstaat het probleem vooral in warmere perioden? Een inkuilmiddel moet geen oplossing worden voor iets wat je met beter kuilmanagement kunt voorkomen. Maar dat betekent niet dat je pas naar een middel mag kijken als er al iets misgaat.
Zijn de basisvoorwaarden goed op orde en wil je het risico op broei of een minder stabiele kuil verder beperken? Dan kan biologische ondersteuning ook gewoon een bewuste extra stap zijn.
Tijdens het inkuilen wil je zo snel mogelijk een zuurstofarme, zure omgeving creëren waarin ongewenste micro-organismen weinig kans krijgen. Dat kan tijdens de gesloten conservering prima lukken. Het probleem ontstaat soms pas maanden later.
Zodra je de kuil opent, komt het voer opnieuw in aanraking met zuurstof. Gisten kunnen weer actief worden en gebruiken voedingsstoffen uit de kuil. Daarbij ontstaat warmte, dat merk je bijvoorbeeld aan:
Technisch noemen we dit een beperkte aerobe stabiliteit.
In gewone taal: hoe lang blijft je kuil goed nadat er weer lucht bij komt?
Geen enkele kuil is hetzelfde. Toch zijn er situaties waarin extra aandacht logisch is:
Droge maïs
Beperkte voersnelheid
Warmer weer
Problemen uit eerdere jaren
Extra zekerheid willen
Wij zouden de afweging ongeveer zo maken:
Belangrijk daarbij: “Niet noodzakelijk” betekent niet hetzelfde als “onnodig”.
De ene melkveehouder kiest bij een laag risico bewust om niets toe te voegen. Een ander vindt ongeveer €1 per/ton een acceptabel bedrag om extra zekerheid in te bouwen.
Dat onderscheid is belangrijk.
Fermentatie ondersteunen:
Sommige melkzuurbacteriën richten zich vooral op het snel produceren van melkzuur. Daarmee wordt een snelle pH-daling en conservering ondersteund. Dat is vooral relevant wanneer de conservering zelf extra aandacht vraagt.
Stabiliteit na openen ondersteunen:
Andere bacteriën, waaronder Lentilactobacillus buchneri, werken anders. Daarbij worden stoffen gevormd die onder andere de ontwikkeling van gisten helpen remmen.Dat maakt deze bacteriën vooral interessant wanneer broei na openen het belangrijkste risico is.
Wetenschappelijk onderzoek naar L. buchneri laat zien dat dergelijke inoculanten gemiddeld de aerobe stabiliteit kunnen verbeteren en het aantal gisten en schimmels kunnen verlagen.
Dat betekent nadrukkelijk niet dat iedere kuil op ieder bedrijf hetzelfde effect heeft. En ook niet: minder broei = gegarandeerd meer melk.
Voor maïs zal Kuil Stabiel vaak de meest logische keuze zijn wanneer warmte en broei na openen het belangrijkste risico vormen. Het bacterieconcept is gericht op verbetering van de aerobe stabiliteit en bevat onder andere L. buchneri.
Past vooral bij: maïskuil die goed conserveert, maar waarbij je de broei wilt aanpakken of het risico daarop verder wilt beperken.
Kuil Compleet combineert ondersteuning van de fermentatie met ondersteuning van de latere stabiliteit.
Past vooral bij: kuilen waarbij je breder wilt ondersteunen en niet alleen naar broei na openen kijkt.
Kuil Start heeft een ander uitgangspunt. Hier ligt de nadruk sterker op het ondersteunen van een snelle en betrouwbare fermentatie.
Past vooral bij: Bij een normale maïskuil zal dit daarom minder snel onze eerste keuze zijn. En bij moeilijker te conserveren graskuilen wordt deze werking juist relevanter.
Bij gras ligt de afweging anders. Het drogestofgehalte, suikergehalte, eiwitgehalte, weersomstandigheden en het gewas kunnen sterk verschillen. Daardoor kan juist de eerste conservering meer aandacht vragen. Bij lastiger te conserveren gras komt daarom eerder een middel zoals in beeld.
Bij droger gras waarbij ook broei of stabiliteit aandacht vraagt, kunnen Kuil Compleet of Kuil Stabiel juist logischer worden. Ook bij gras blijft de basis hetzelfde: kijk eerst naar de kuil en daarna naar het product.
De afweging is uiteindelijk: welk risico wil je beperken en wat is die extra zekerheid je waard?
Een inkuilmiddel maakt van een slecht gemaakte kuil geen goede kuil. Maar je hoeft ook niet eerst een broeiprobleem te hebben voordat een middel een verstandige keuze kan zijn.
De ene melkveehouder gebruikt alleen een toevoegmiddel wanneer daar een duidelijk risico voor is. De ander bouwt standaard wat extra zekerheid in.
Wat ons betreft kunnen beide keuzes prima zijn.
Onze insteek is daarom niet: iedere kuil heeft een inkuilmiddel nodig.
Maar ook niet: gebruik alleen een middel als het al misgaat.
Onze insteek is veel eenvoudiger: weet waarom je het gebruikt. Kijk naar je kuil, het risico en hoeveel zekerheid je wilt. Kies daarna het middel dat daarbij past.